|
|
|

Overzicht van de wettelijke en reglementaire beschikkingen van 1968 tot 1976

Aansturend op een evenwichtige evolutie van de pensioensector door de oprichting van een solidariteitsgrondslag die voor alle werknemers geldt, heeft het Koninklijk besluit n°50 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers van 24.10.1967 (B.S. van 27.10.1967) de handarbeiders, de hoofdarbeiders, de mijnwerkers en de zeelieden in één en dezelfde regeling opgenomen, daar waar er vroeger vier onderscheiden regelingen bestonden. Het koninklijk besluit n°50 veralgemeende de verdelingstechniek met vestiging van reserves en sloot voortaan elk beroep op de verplichte kapitalisatie uit. De mijnwerkers- en zeeliedenregeling, tot dan toe autonoom geëvolueerd, werden aldus met de gemeenschappelijke kern verenigd en verschillen nog enkel door een aantal bijzonderheden betreffende de pensioengerechtigde leeftijd en de pensioenberekening.

Het koninklijk besluit n°50 voorziet:

  • in de toekenning van een rustpensioen vanaf de leeftijd van 65 jaar voor een man en 60 jaar voor een vrouw, met mogelijkheid hoogstens 5 jaar vroeger dit pensioen te laten ingaan in welk geval per jaar vervroeging 5 % wordt afgetrokken ;
  • een berekening voor elk bewezen jaar van de loopbaan naar rata van 1/45ste (man) of van 1/40ste (vrouw) van een bepaald percentage (75 % voor de gerechtigde met echtgenoot ten laste en 60 % voor een alleenstaande) van het geherwaardeerd loon ;
  • dat het bewijs van de loopbaan wordt geleverd door elk bescheid waaruit blijkt dat bijgedragen werd voor het pensioen en voor de jaren vóór 1945 door alle rechtsmiddelen, getuigen en vermoedens inbegrepen ;
  • daarenboven dat de gerechtigde een vermoeden van tewerkstelling bekomt voor de periode van zijn 20ste verjaardag tot 31.12.1945 indien hij bewijst voor zijn pensioen te hebben bijgedragen (RSZ-bijdragen) gedurende alle jaren van de periode aanvangend op 01.01.1946 tot de ingangsdatum van zijn pensioen.

Het koninklijk besluit n°50 voorziet tevens een overlevingspensioen voor de weduwen vanaf de leeftijd van 45 jaar, gelijk aan 80 % van het gezinspensioen dat de overleden echtgenoot bij zijn overlijden zou gehad hebben. Zo voldaan is aan bepaalde voorwaarden (kinderlast bij het overlijden ; arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % ; overleden echtgenoot gedurende ten minste 20 jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld als ondergronds mijnwerker) kan het overlevingspensioen ingaan vóór de vastgestelde leeftijd van 45 jaar. Bovendien moet het huwelijk ten minste één jaar hebben geduurd (tenzij : uit het huwelijk een kind werd geboren ; bij het overlijden een kind ten laste was waarvoor één der echtgenoten kinderbijslag ontving ; het overlijden te wijten is aan een ongeval overkomen na het huwelijk).

Ook was voorzien in de indexatie van de rente voortkomende uit de kapitalisatiebijdragen en in een vakantiegeld. Voor de mijnwerkers die ten minste 20 jaar als dusdanig bewijzen, was voorzien in een steenkolenbedeling.

In de uitvoering van het koninklijk besluit n°50 werd voorzien bij het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 16.01.1968).

Het koninklijk besluit n°50 en het uitvoeringsbesluit werden herhaaldelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen volgen hierna. Tevens zijn wetten en besluiten vermeld die belangrijk zijn op het vlak van de pensioenen.

De wet van 05.08.1968 tot vaststelling van een zeker verband tussen de pensioenstelsels van de openbare sector en die van de privé-sector (B.S. van 24.08.1968) regelt de overdracht van bijdragen van het ene stelsel naar het andere, wanneer bepaalde jaren niet in aanmerking komen voor het pensioen in het ene stelsel en bijgevolg in aanmerking komen voor het pensioen in het andere stelsel.

De wet van 24.06.1969 verhoogde de bedragen van de werknemerspensioenen. Verhogingen zouden ook worden toegekend bij de wetten van 05.06.1970, 27.07.1971 en 03.03.1972.

Het koninklijk besluit van 03.11.1969 (B.S. van 10.12.1969) bepaalt voor het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart de bijzondere regelen betreffende het ingaan van het recht op pensioen, evenals de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967.

De wet van 05.06.1970 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de pensioenregelingen voor werknemers, arbeiders, bedienden, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden (B.S. van 30.06.1970) bepaalde dat het vermoeden kon worden toegekend zo in de periode van 01.01.1946 tot de ingangsdatum van het pensioen ten hoogste twee jaren niet zijn bewezen door betaling der bijdragen en dat het overlevingspensioen ingaat de eerste dag van de maand van overlijden van de echtgenoot zo deze bij zijn overlijden geen pensioen genoot.

De wet van 29.06.1970 (B.S. van 17.07.1970) voerde een regeling van vervroegd pensioen in voor de zeevissers. Het koninklijk besluit van 03.08.1970 (B.S. van 26.09.1970) voorzag in de uitvoering hiervan.

Het koninklijk besluit van 27.07.1971 (B.S. van 20.08.1971) stelt voor de beroepsjournalisten de bijzondere regelen vast betreffende het ingaan van het recht op pensioen, evenals de bijzondere toepassingsmodaliteiten van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967.

De wet van 26.06.1972 houdende vermindering van het vereiste aantal dienstjaren in de ondergrondse steenkolenmijnen voor het toekennen van een volledig rustpensioen (B.S. van 30.06.1972) bepaalde dat vanaf 01.07.1972 een volledig pensioen zou worden toegekend na 27 jaar ondergrondse mijnarbeid, i.p.v. na 30 jaar, ongeacht de leeftijd.

De wet van 28.03.1973 tot verhoging van de werknemerspensioenen en tot invoering van een mechanisme waardoor het bedrag van de pensioenen wordt aangepast aan de evolutie van het algemeen welzijn (B.S. van 30.03.1973) vulde enerzijds de wet van 24.06.1969 aan en bepaalde anderzijds dat voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor het eerst ingaan ten vroegste op 01.01.1973, naast de herwaardering van de lonen ook een herwaarderingscoëfficiënt moest worden toegepast, teneinde de pensioenen aan te passen aan de evolutie van het algemeen welzijn.

De wet van 27.12.1973 tot verhoging van het pensioen van de gewezen werknemers (B.S. van 04.01.1974) stelde andermaal verhogingspercentages vast, variërend naargelang de ingangsdatum van het pensioen. Tevens werd de verjaringstermijn inzake terugvordering van onterecht betaalde pensioenen teruggebracht van twee jaar naar zes maanden. De verjaringstermijn ingeval van arglist en bedrog bleef onveranderd bepaald op 5 jaar. Ook werd aan de Koning de opdracht gegeven te bepalen in welke gevallen de persoonlijke bijdrage wordt teruggestort aan de werknemer die aanvankelijk aan de regeling voor werknemers was onderworpen, doch ingevolge vaste benoeming later en dit met terugwerkende kracht, werd onderworpen aan de regeling van de openbare sector. Het koninklijk besluit van 28.07.1975 (B.S. van 27.08.1975) voert de laatste bepaling uit.

De wet van 28.03.1975 houdende vermindering van het vereiste aantal dienstjaren in de ondergrondse steenkolenmijnen voor het toekennen van een volledig rustpensioen (B.S. van 08.04.1975) en het koninklijk besluit van 09.04.1975 (B.S. van 12.04.1975) tot uitvoering ervan, brengen het aantal jaren om recht te hebben op een volledig pensioen als ondergronds mijnwerker terug van 27 tot 25 jaar.

Het koninklijk besluit van 12.05.1975 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 21.05.1975) versoepelt de toekenning van een pensioen als uit de echt gescheiden echtgenote, dit gelet op de invoering van een nieuwe grond tot echtscheiding. Voortaan moeten te dezen geen bijdragen meer worden betaald, doch wordt het overeenkomstig pensioen berekend zoals voor een alleenstaande op basis van 60 % van de in aanmerking komende lonen, zijnde 62,5 % van de lonen verdiend door de gewezen echtgenoot tijdens de huwelijksperiode. In feite wordt aldus een pensioen gewaarborgd waarvan het bedrag gelijk is aan de helft van het gezinspensioen dat verworven zou geweest zijn tijdens de periode van huwelijk.

Het koninklijk besluit van 04.07.1975 houdende de betaling per overschrijving van de voordelen ten laste van de pensioenregelingen (B.S. van 08.07.1975) bepaalt dat de gepensioneerden van de regelingen voor werknemers en zelfstandigen de uitbetaling kunnen bekomen van hun uitkering per overschrijving op een postcheckrekening, op voorwaarde dat zij alleen deze rekening kunnen debiteren. Hetgeen nochtans aan de gepensioneerde als gehuwde verschuldigd is, moet op een gemeenschappelijke rekening die alleen door de echtgenoten gezamenlijk kan worden gedebiteerd, worden gestort.

De wet van 05.01.1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976 (B.S. van 06.01.1976) kende een forfaitaire vergoeding toe aan de gepensioneerden in de regeling voor werknemers.

Het koninklijk besluit van 03.02.1976 tot wijziging van sommige bepalingen inzake de herziening van werknemerspensioenen (B.S. van 27.02.1976) beoogde de administratie de mogelijkheid te bieden in bepaalde, wettelijk degelijk omlijnde, voorwaarden een nieuwe beslissing te nemen, de getroffen administratieve beslissing op te heffen of in te trekken.

De wet van 27.02.1976 tot wijziging van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 09.03.1976) voorziet in een niet-verminderd rustpensioen op de leeftijd van 64 jaar voor de werknemer die een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling gedurende ten minste 45 jaar bewijst. Het koninklijk besluit van 10.03.1976 (B.S. van 13.03.1976) bepaalde op welke wijze het bewijs van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling gedurende 45 jaar wordt geleverd.