|
|
|

Overzicht van de wettelijke en reglementaire beschikkingen van 1977 tot 1990

De wet van 27.02.1976 tot wijziging van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 09.03.1976) wijzigde grondig de berekeningswijze en de bewijsvoering aangaande de loopbaan voor de rust- en overlevingspensioenen die ten vroegste op 01.01.1977 ingaan.

Door het invoeren van een systeem van toegevoegde jaren eensdeels, in verhouding tot de door middel van stortingen bewezen jaren, en anderdeels in verhouding tot de duur van de periode gelegen tussen 31.12.1945 en de normale pensioenleeftijd (in vervanging van het bestaande vermoeden voor de periode van 1926 tot 1945), komt men praktisch tot het bewijzen van een loopbaan van 31 jaar voor de pensioenen die ingaan in 1977, van 32 jaar in 1978, van 33 jaar in 1979 en zo verder. Voor de werknemers die sinds 1946 onderbrekingen hebben in hun beroepsloopbaan bestaat bovendien de mogelijkheid om de tewerkstelling van vóór 01.01.1946, waarvoor pensioenbijdragen werden gestort, in aanmerking te laten nemen voor de vaststelling van het recht op pensioen.

Zowel voor de jaren gelegen vóór 1946 als na 1945 dient de tewerkstelling voortaan te worden aangetoond door het bewijs dat de vereiste pensioenbijdragen werden gestort. Voor elk van die jaren bestaat de mogelijkheid de ontbrekende bijdragen te regulariseren.

Het koninklijk besluit van 04.04.1976 (B.S. van 08.04.1976) voert deze bepalingen van de wet van 27.02.1976 uit en wijzigt te dien einde het koninklijk besluit van 21.12.1967.

Het koninklijk besluit van 27.12.1976 (B.S. van 14.01.1977) brengt belangrijke wijzigingen aan de perken van de toegelaten beroepsbezigheden, die mits een voorafgaande verklaring wordt afgelegd, mogen worden uitgeoefend zonder dat de uitbetaling van het rust- of overlevingspensioen wordt geschorst vanaf 01.01.1977.

De wet van 22.12.1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 (B.S. van 24.12.1977) voert voor de oudere werklozen een bijzonder brugpensioen in zo de aanvraag om vervroegd pensioen uitwerking heeft tijdens de jaren 1978 en 1979 (Afdeling 5) en eenzelfde voordeel voor de bejaarde invaliden, wier aanvraag om vervroegd pensioen uitwerking heeft in 1978 (Afdeling 6). Deze regeling hield in dat aan de betrokkenen een vergoeding werd uitgekeerd gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hen effectief wordt toegekend en het bedrag van het pensioen dat zij zouden bekomen hebben indien het niet verminderd werd met 5 % per jaar vervroeging. Tot de leeftijd van 65 of 60 jaar werd een inkomen gewaarborgd gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding of de invaliditeitsuitkering verschuldigd op de datum waarop het pensioen ingaat, verhoogd met 12.000 frank per jaar. Het koninklijk besluit van 27.12.1977 tot uitvoering van hoofdstuk III, afdeling 5 - Bijzonder brugpensioen voor oudere werklozen - en van hoofdstuk V, afdeling 6 - Bijzonder brugpensioen voor bejaarde invaliden - van de wet van 22.12.1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 (B.S. van 31.12.1977) ; bevat de uitvoeringsmaatregelen.

Wat betreft de oudere werklozen bleven de bepalingen desbetreffend van toepassing op de gerechtigden wier aanvraag uitwerking had in de loop van het jaar 1980 (zie het koninklijk besluit van 10.12.1979, (B.S. van 18.12.1979), in de loop van het jaar 1981; zie het koninklijk besluit van 24.12.1980, (B.S. van 31.12.1980) en in de loop van het eerste trimester 1982; zie het koninklijk besluit van 21.01.1982, (B.S. van 29.01.1982).

Het koninklijk besluit n°16 van 29.11.1978 tot invoering van een verwarmingstoelage ten gunste van bepaalde rechthebbenden op een pensioen ten laste van de werknemerspensioenregeling (B.S. van 02.12.1978) vervangt m.i.v. 01.01.1979 de steenkolenbedeling in natura en de overeenstemmende uitkering in speciën, die ten gunste van de gepensioneerde mijnwerkers en hun weduwen wordt toegekend, door een verwarmingstoelage. Het bedrag van deze verwarmingstoelage werd bepaald bij het koninklijk besluit van 30.11.1978 (B.S. van 02.12.1978).

Het koninklijk besluit n°26 van 15.12.1978 tot verhoging van de werknemerspensioenen (B.S. van 20.12.1978) verhoogt m.i.v. 01.01.1979 de bedragen van de rust- en overlevingspensioenen, zoals deze reeds zijn opgetrokken ingevolge de integratie van de welvaartspremie, met een coëfficiënt afhankelijk van de ingangsdatum van het pensioen.

Het koninklijk besluit van 15.12.1978 tot vaststelling van de in hoofde van rechthebbenden op een werknemerspensioen toegelaten beroepsbezigheid (B.S. van 20.12.1978) voert m.i.v. 01.01.1979 nieuwe bepalingen in aangaande de toegelaten beroepsbezigheid in hoofde van gepensioneerden in de regeling voor werknemers.

De wet van 08.08.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (B.S. van 15.08.1980) voert het principe in van het gewaarborgd minimumpensioen voor een volledige loopbaan in de regeling voor werknemers. Het koninklijk besluit van 22.09.1980 tot uitvoering van de artikelen 152, 153 en 155 van de wet van 08.08.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (BS van 27.09.1980) bevat de uitvoeringsmodaliteiten van voormelde begrotingswet.

De herstelwet inzake de pensioenen van de sociale sector van 10.02.1981 (B.S. van 14.02.1981) bepaalt dat de Rijksdienst voor werknemerspensioenen vanaf 01.01.1981 de bevoegdheden overneemt van de Nationale Kas voor Bediendenpensioenen (inzake renten), dat de uitbetaling van de renten voortaan zal geschieden door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen zo de gerechtigde een werknemerspensioen geniet. Zie te dezen het koninklijk besluit van 09.10.1981 tot uitvoering van de artikelen 20, 27, 28 en 38 van de herstelwet van 10.02.1981 inzake de pensioenen van de sociale sector (B.S. van 27.10.1981).

Dezelfde wet bepaalt dat :

  • om vervroegd pensioen te kunnen bekomen de werknemer voortaan moet kunnen bewijzen dat hij gedurende het kalenderjaar dat de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat gewoonlijk en hoofdzakelijk als werknemer, als zelfstandige of als werknemer in de publiekrechtelijke sector was tewerkgesteld en dat hij gedurende ten minste 10 jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als werknemer was tewerkgesteld. Het koninklijk besluit van 30.03.1981 (B.S. van 11.04.1981) bevat de uitvoeringsmodaliteiten te dezen. Datzelfde koninklijk besluit stelt eveneens een bepaalde polyvalentie in met aanvragen ingediend bij het Ministerie van Financiën, zo aldaar wordt beslist dat geen recht op staatspensioen bestaat. Ook bepaalt vermeld koninklijk besluit dat het invaliditeitspensioen of de als dusdanig geldende uitkering toegekend krachtens een regeling van een vreemd land of van een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling te beschouwen is als een rustpensioen, zo de gerechtigde voldoet aan de voorwaarden om van een rustpensioen te genieten ;
  • de mogelijkheid om door bijdragestorting jaren vóór 1945 te regulariseren wordt afgeschaft. Indien de betrokkene beweert een langere loopbaan te kunnen bewijzen dan die welke resulteert uit de toepassing van het systeem der toegevoegde jaren, mag hij dat doen met toepassing van de vóór 01.01.1977 toepasselijke bewijsvoering (= jaren vóór 1945 door alle rechtsmiddelen, jaren na 1945 door verrichte, minstens afgehouden stortingen) ;
  • het aantal toegevoegde fictieve jaren wordt beperkt tot het verschil tussen het aantal jaren uitgedrukt in de noemer (=45sten of 40sten) en het totaal van de aantal jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als werknemer en van het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een pensioen in toepassing van een andere Belgische regeling (uitgezonderd die der zelfstandigen), van een regeling van een vreemd land of van een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling ;
  • het recht op bijkomend pensioen voor de jaren van tewerkstelling na de pensioenleeftijd en gelegen na 31.12.1980 en het onvoorwaardelijk pensioen worden afgeschaft ;
  • het pensioen van minder dan 500 frank (bedrag aan het indexcijfer 114,20 - basis 1966=100), niet wordt uitbetaald ;
  • voor de berekening van het pensioen voortaan geen rekening meer wordt gehouden met het gedeelte van de brutolonen dat 60.000 frank per maand (aangepast aan het indexcijfer geldend op 01.01.1981 is dit 66.246 frank) overschrijdt ;
  • de Koning bepaalt in welke gevallen en in welke mate de pensioenen toegekend in de regeling voor werknemers mogen worden gecumuleerd met een rente of een vergoeding toegekend overeenkomstig een Belgische of buitenlandse wetgeving betreffende het herstel der schade voortspruitend uit arbeidsongevallen of beroepsziekten ;
  • het gewaarborgd minimumbedrag, ingevoerd bij de wet van 08.08.1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, voor de alleenstaande vrouw gelijk wordt gemaakt aan datgene dat geldt voor een alleenstaande man ; het minimum overlevingspensioen wordt verhoogd met 3.000 frank per jaar ;
  • de toekenning van een gewaarborgd minimumpensioen wordt uitgebreid tot de werknemers die het bewijs leveren van een beroepsloopbaan die ten minste gelijk is aan 2/3den van een volledige beroepsloopbaan, derwijze dat een minimumpensioenbedrag wordt gewaarborgd dat gelijk is aan een breuk (deze die gediend heeft voor de berekening van het pensioen) van de minimumbedragen voor een volledige loopbaan. Het koninklijk besluit van 17.02.1981 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van de herstelwet van 10.02.1981 inzake pensioenen van de sociale sector (B.S. van 26.02.1981) bevat de uitvoeringsmodaliteiten te dezen ;
  • de Koning bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden een deel van het pensioen betaalbaar is bij overschrijding van de inzake toegelaten beroepsbezigheid geldende inkomensgrenzen. Het koninklijk besluit van 29.04.1981 tot uitvoering van de artikel 10 en 25 van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 08.0501981 - erratum, B.S. van 22.05.1981) voert m.i.v. 01.07.1981 een nieuwe regeling in inzake de voor gepensioneerden toegelaten beroepsbezigheid.


Het koninklijk besluit van 13.03.1981 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 20.03.1981) bepaalt dat wanneer de individuele rekening ten minste 285 arbeidsdagen of ermee gelijkgestelde dagen vermeldt, een aantal dagen wordt gelijkgesteld gelijk aan het verschil tussen 312 en het aantal vermelde dagen.

Het koninklijk besluit n°32 tot wijziging van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 ... van 30.03.1982 (B.S. van 01.04.1982) vervangt de aanpassingsvergoeding, toegekend aan de weduwe die niet voldoet aan de voorwaarden om een overlevingspensioen te bekomen, door een overlevingspensioen voor 1 jaar. Op dit laatste voordeel zijn de bepalingen inzake toegelaten bezigheid van toepassing.

Het koninklijk besluit n°95 betreffende het brugrustpensioen voor werknemers van 28.09.1982 (B.S. van 29.09.1982) voegt een artikel 5bis toe aan het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 waarbij wordt bepaald dat gedurende de periode van 01.01.1983 tot 31.12.1985, wat de mannen betreft, het rustpensioen kan ingaan in de periode van 5 jaar die de normale pensioenleeftijd (65 jaar) voorafgaat, zonder met 5 % per jaar vervroeging te worden verminderd, op voorwaarde dat de werkgever er zich toe verplicht de betrokkene te vervangen door een werkzoekende.
Het koninklijk besluit van 14.10.1982 (B.S. van 16.10.1982) bepaalt de uitvoeringsbesluiten te dezen. Deze regeling werd uiteindelijk verlengd tot 31.12.1990.

Het koninklijk besluit van 18.04.1983 tot vaststelling van de betalingswijze van bepaalde door de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen uitgekeerde voordelen (B.S. van 21.04.1983) bepaalt dat de betaling van voordelen jaarlijks geschiedt in december voor de in de loop van het jaar vervallen termijnen zo het globaal bedrag lager is dan 330 frank (spilindexcijfer 114,20).

Bij koninklijk besluit n°205 tot wijziging van de wetgeving betreffende de pensioenen van de sociale sector van 29.08.1983 (B.S. van 06.09.1983) wordt een artikel 10bis ingevoegd in het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967, waarbij het principe van de beperking tot de eenheid van loopbaan wordt ingevoerd. Zo de totaliteit van de loopbaanbreuken in de andere Belgische of buitenlandse regelingen, uitgezonderd in die der zelfstandigen, en deze in de werknemersregeling de eenheid overschrijdt, dient de loopbaan in de regeling voor werknemers te worden beperkt.
Het koninklijk besluit van 14.10.1983 tot uitvoering van artikel 10bis (B.S. van 27.10.1983) stelt de nadere uitvoeringsmodaliteiten te dezen vast.

Tevens wordt een plafond van 382.082 frank (spilindex 114,20) ingesteld wat betreft de lonen die in aanmerking komen voor de pensioenberekening voor de jaren gelegen na 1980.

Tenslotte vervangt dit besluit de begrippen "arglist en bedrog" in artikel 21 van de wet van 21.06.1966 en wordt bepaald dat het niet-afleggen van een verklaring die is voorgeschreven door een wettelijke of reglementaire bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis, gelijkgesteld is met arglist en bedrog.

De wet van 15.05.1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen (B.S. van 22.05.1984) maakt de toekenning van uitkeringen ten voordele van de langstlevende echtgenoot van de werknemer die overleden is na 31.12.1983, mogelijk. Tevens maakt deze wet de toekenning van een zgn. gezinspensioen aan vrouwen mogelijk. Hierdoor werd een verdere stap gezet wat betreft de geleidelijke tenuitvoerlegging van het principe van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, zoals voorgeschreven door de richtlijn EEG n°79/7 van 19.12.1978.

Deze wet bepaalt eveneens dat de werknemer die ten minste 60 jaar oud is en die het bewijs levert van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling gedurende ten minste 5 jaar, het vervroegd pensioen kan bekomen.

Het koninklijk besluit van 20.09.1984 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 06.10.1984) bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van de wijzigingen aangebracht bij vermelde wet van 15.05.1984.

Het koninklijk besluit van 15.04.1985 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21.12.1967 ... (B.S. van 19.04.1985) voert een artikel 54 in waarbij is bepaald dat de overlevende echtgenoot die recht had op een overlevingspensioen vóór de leeftijd van 45 jaar, toch die dit recht verliest omdat er niet langer kinderlast is ofwel omdat niet langer een arbeidsongeschiktheid van minstens 66 % is bewezen, het genot van het overlevingspensioen kan behouden, in voorkomend geval beperkt tot het gewaarborgd minimumbedrag van het overlevingspensioen.

Het koninklijk besluit van 16.07.1985 houdende de betaling per overschrijving van bepaalde voordelen uitgekeerd door de Rijkskas voor rust-en overlevingspensioenen (B.S. van 24.07.1985), heft het koninklijk besluit van 04.07.1975 op en maakt de uitbetaling mogelijk van het pensioen dat overal ter wereld betaalbaar is, via overschrijving op een persoonlijke postcheckrekening die enkel door de gepensioneerde kan worden gedebiteerd. De betaling kan ook gebeuren op een persoonlijke rekening bij een bank of bij de erkende financiële instellingen die daartoe een overeenkomst afsluiten met de Rijkskas.

Het koninklijk besluit n°415 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de werknemerspensioenen van 16.07.1986 (B.S. van 30.07.1986) (16), wordt voor de vrouwen m.i.v. 01.01.1987 de mogelijkheid het pensioen vervroegd te laten ingaan afgeschaft. Tevens wordt het vervroegd pensioen voor de zeevissers afgeschaft, evenals de berekening in 40sten van dergelijk pensioen. Ook wordt bepaald dat het genot van een uitkering wegens loopbaanonderbreking of wegens vermindering van de arbeidsprestaties de uitbetaling van het pensioen schorst. Voortaan wordt het pensioen als mijnwerker slechts betaald tot beloop van 80 % zo de gerechtigde onderdaan is van een niet EEG land of van een land waarmee België geen overeenkomst heeft gesloten.

Bij dit besluit wordt tevens bepaald dat wat betreft de rente geen enkele aanpassing wordt toegepast boven de spilindex waartegen de pensioenen op 01.07.1986 worden betaald.

Het koninklijk besluit van 08.08.1986 (B.S. van 22.08.1986) bevat de uitvoering van het vermeld koninklijk besluit n°415 van 16.07.1986.

Het koninklijk besluit n°513 tot afschaffing van de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen en tot reorganisatie van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen van 27.03.1987 (B.S. van 10.04.1987) realiseerde met ingang vanaf 01.04.1987 de samenvoeging van de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen (die werd afgeschaft) en van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen. De aldus gereorganiseerde instelling wordt voortaan de Rijksdienst voor Pensioenen genoemd. Hetzelfde besluit richt een Raad voor uitbetaling van de voordelen op, bevoegd om te beslissen over de aanvragen om verzaking aan de terugvordering van door de Rijksdienst onverschuldigd betaalde uitkeringen.

Het koninklijk besluit van 19.10.1988 (B.S. van 08.11.1988) verhoogt de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen.

Het koninklijk besluit van 17.11.1988 (B.S. van 08.12.1988) wijzigt het koninklijk besluit van 22.09.1980 en bepaalt dat voor de toekenning van het gewaarborgd minimumpensioen voor de jaren na 1954 enkel rekening wordt gehouden met de jaren waarvoor een volledige tewerkstelling is bewezen, d.w.z. elke tewerkstelling waarvoor een loon voor een voltijdse betrekking is betaald. Als dusdanig wordt eveneens beschouwd elke tewerkstelling die per kalenderjaar ten minste 285 dagen van 6 uur of 1710 uren omvat.

Het koninklijk besluit van 17.11.1988 (B.S. van 08.12.1988) bepaalt dat om van het pensioen te kunnen genieten het verblijf in België niet meer vereist is voor zekere bevoorrechte vreemdelingen.

Het koninklijk besluit van 12.10.1989 (B.S. van 04.11.1989) verhoogt nogmaals de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen vanaf 01.01.1990.