|
|
|

Overzicht van de wettelijke en reglementaire beschikkingen van 1991 tot 1995

Wat betreft de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste vanaf 01.01.1991 ingaan werden ingrijpende wijzigingen aangebracht aan de bestaande wetgeving.

De wet van 20.07.1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn (B.S. van 15.08.1990) regelt de toekenning van de pensioenen die voor het eerst ingaan ten vroegste vanaf 01.01.1991.

De bepalingen van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers blijven van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 01.01.1991 ingaan, onverminderd de mogelijke toepassing van afwijkende bepalingen van vermelde wet van 20.07.1990.

De nieuwe pensioenwet laat vanaf 1991 aan alle werknemers een vrije keuze van de leeftijd vanaf dewelke het pensioen zal worden aangevraagd, doch dit kan ten vroegste vanaf de leeftijd van 60 jaar. Dit houdt in dat het brugrustpensioen en het vervroegd pensioen met verlies van 5 % per jaar vervroeging worden afgeschaft.

De regeling m.b.t. de verkorte opzeggingstermijn bij pensionering wordt aan de nieuwe wet aangepast en kan enkel nog worden toegepast vanaf 65 jaar en dit zowel voor mannen als voor vrouwen.

Mannelijke bruggepensioneerden kunnen evenwel eerst met pensioen op 65 jaar. De bestaande van de algemene regeling afwijkende pensioenleeftijd voor mijnwerkers blijft bestaan. Evenmin wordt geraakt aan de pensioenleeftijd die geldt voor het personeel van de burgerlijke luchtvaart.

Het recht op pensioen wordt verkregen naar rata van een breuk van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen. De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het getal 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.

Zo de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 % van het bedrag van het rustpensioen dat aan de echtgenoot overeenkomstig deze wet zou zijn toegekend. De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode ingaande op 01 januari van het jaar van de twintigste verjaardag en 31 december van het jaar vóór dat van overlijden, zonder groter te mogen zijn dan 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.

De polyvalentie van de aanvragen blijft behouden. Een aanvraag om rustpensioen geldt aldus als aanvraag om overlevingspensioen. Een aanvraag om overlevingspensioen geldt als aanvraag om rustpensioen zo de aanvrager de vereiste leeftijd bereikt binnen de 12 maanden na zijn aanvraag.

Ten einde de pensioenen opnieuw te koppelen aan de evolutie van de welvaart, werden zij vanaf 01.10.1990 vermenigvuldigd met 1,03 zo het pensioen voor het eerst is ingegaan vóór 01.01.1973, met 1,02 zo het pensioen voor het eerst is ingegaan na 31.12.1972 en vóór 01.01.1983, met 1,01 zo het pensioen voor het eerst is ingegaan na 31.12.1982 en vóór 01.01.1988.

Het koninklijk besluit van 16.11.1990 tot verhoging van het bedrag van de aan bepaalde rechthebbenden op een pensioen ten laste van de werknemersregeling toegekende verwarmingstoelage (B.S. van 11.12.1990) verhoogt vanaf 01.01.1991 de verwarmingstoelage tot 420 frank (bedrag voor één rechtgevend jaar) en tot 12.600 frank (maximumbedrag).

Het koninklijk besluit van 04.12.1990 tot uitvoering van de wet van 20.07.1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn en tot wijziging van sommige bepalingen inzake werknemerspensioenen (B.S. van 20.12.1990) past het algemeen pensioenreglement van 21.12.1967 aan en bevat nadere uitvoeringsbepalingen van de wet van 20.07.1990.

De wet van 21.05.1991 tot vaststelling van een zeker verband tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiek recht (B.S. van 20.06.1991) bepaalt dat iedere ambtenaar met toestemming van de Europese Gemeenschappen en instellingen die ermee worden gelijkgesteld, mag vragen dat het pensioenbedrag betreffende de aan zijn indiensttreding bij de Europese Gemeenschappen of bij een daarmee gelijkgestelde instelling ... voorafgaande diensten, aan die instelling worden gestort. Een koninklijk besluit van 03.02.1992 (B.S. van 21.02.1992) bevat uitvoeringsbepalingen van deze wet.

Het koninklijk besluit van 17.10.1991 (B.S. van 14.12.1991) bevat bepalingen betreffende de betaling per overschrijving van de uitkeringen betaald door de Rijksdienst voor Pensioenen.

De wet van 26.06.1992 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S. van 30.06.1992) bepaalt o.m. dat ook de werkgever die een gepensioneerde tewerkstelt, hiervan aangifte moet doen binnen een door de Koning te bepalen termijn.

Het koninklijk besluit van 30.10.1992 tot uitvoering van de artikelen 10, 25 en 39 van het koninklijk besluit n°50 .... en van artikel 3 van de wet van 20.07.1990 ... (B.S. van 27.11.1992) voert de bepaling van vermelde wet van 26.06.1992 uit en vervangt de bepalingen inzake toegelaten beroepsbezigheid.

Bij wet van 30.12.1992 betreffende sociale en diverse bepalingen (B.S. van 09.01.1993) wordt bepaald dat bij de Rijksdienst voor Pensioenen een financieel intendant mag worden aangeworven en een Bijzondere Commissie van belegging mag worden ingesteld.

Het koninklijk besluit van 31.12.1992 tot regeling van het gebruik van de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen door de Rijksdienst voor Pensioenen en tot wijziging van sommige bepalingen inzake de werknemerspensioenen, het gewaarborgd inkomen en het individueel kapitalisatiestelsel (B.S. van 22.01.1993) bepaalt dat op de aanvraag het identificatienummer bij het Rijksregister moet worden vermeld en dat de Rijksdienst verplicht is zich tot het Rijksregister te wenden om nodige informatiegegevens te bekomen.

Het koninklijk besluit van 28.02.1993 betreffende de betaling per overschrijving van sommige uitkeringen betaald door de Rijksdienst voor pensioenen (B.S. van 13.03.1993) bepaalt dat onderdanen van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen, de staatlozen, de erkende vluchtelingen of de bevoorrechte vreemdelingen kunnen vragen voordelen die overal ter wereld betaalbaar zijn, over te schrijven op een persoonlijke rekening geopend bij een financiële instelling gevestigd op het grondgebied van een lidstaat van de E.G., andere dan het Koninkrijk België.

De wet van 06.08.1993 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S. van 09.08.1993) voegt in artikel 36 van het koninklijk besluit n°50 een alinea in die bepaalt dat de rente gevestigd in het raam van de verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood alleen wordt geïndexeerd wanneer het pensioen is ingegaan na 31.12.1967 doch vóór 01.01.1994. Enkel dezelfde renten worden vermeerderd met een jaarlijkse bijdrage van het Rijk gelijk aan 50 % van hun jaarbedrag.

Het ministerieel besluit van 20.12.1993 tot uitvoering van artikel 2, § 8 van het koninklijk besluit van 30.10.1992 tot uitvoering van .... (B.S. van 12.01.1994) betreft de inning van de sancties opgelegd aan werkgevers, die een gepensioneerde tewerkstellen en die hun aangifteplicht niet zijn nagekomen.

De wet van 30.03.1994 houdende sociale bepalingen (B.S. van 31.03.1994) herschrijft de bepaling in het koninklijk besluit n°50 betreffende het vakantiegeld waarop gepensioneerden gerechtigd zijn. Het koninklijk besluit van 05.06.1994 tot wijziging, wat het vakantiegeld en de aanvullende bijslag betreft, van het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 23.09.1994) bevat nadere uitvoeringsbepalingen ervan. Het vakantiegeld en de aanvullende toeslag worden niet toegekend voor het jaar waarin het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat. Het daaropvolgende jaar worden vermelde voordelen toegekend in verhouding tot het aantal maanden waarin pensioen werd genoten tijdens het jaar waarin het pensioen ingaat. Eerst het daaropvolgend jaar worden vermelde voordelen volledig toegekend.

Vermelde bepaling geldt niet zo de pensioengerechtigde tijdens het jaar dat de ingangsdatum van zijn pensioen voorafgaat bruggepensioneerde was of ziekte-uitkeringen dan wel werkloosheidsvergoedingen genoot. Het koninklijk besluit van 24.05.1995 (B.S. van 21.06.1995) voegt hieraan toe dat deze laatste uitkeringen moeten volgen uit een activiteit die onder toepassing van de Belgische sociale zekerheidswetgeving valt.

Bij artikel 68 van dezelfde wet van 30.03.1994 wordt een solidariteitsbijdrage opgelegd aan de gepensioneerden. De uitvoeringsbepalingen te dezen zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 28.10.1994 tot uitvoering van artikel 68 van de wet van 30.03.1994 houdende sociale bepalingen (B.S. van 29.12.1994). Vermeld koninklijk besluit werd gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17.03.1995 (B.S. van 28.04.1995), 07.04.1995 (B.S. van 29.04.1995), 14.05.1996 (B.S. van 26.06.1996). In het Belgisch staatsblad van 09.06.1995 verschenen een aantal errata.

De wet van 21.12.1994 houdende sociale en diverse bepalingen (B.S. van 23.12.1996) wijzigde artikel 68 van de vermelde wet van 30.03.1994.

De wet van 06.04.1995 tot wijziging van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 ... (B.S. van 29.04.1995) bepaalt dat de Rijksdienst voor Pensioenen, in overeenstemming met de modaliteiten bepaald door de Koning, geheel of gedeeltelijk kan afzien van de sancties die van toepassing zijn ingeval van niet-naleving door de gepensioneerde of de werkgever van hun verplichtingen, indien een toegelaten activiteit wordt uitgeoefend. De uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling zijn vervat in het koninklijk besluit van 25.04.1995 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21.12.1967 .... (B.S. van 10.06.1995), waarbij is bepaald dat de pensioengerechtigde aan de Raad voor uitbetaling kan vragen geheel of gedeeltelijk af te zien van de sanctie en dat de werkgever een dergelijke vraag kan richten aan het Beheerscomité van de Rijksdienst voor pensioenen.

De wet van 11.04.1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde (B.S. van 06.09.1995) is van toepassing wat betreft de Rijksdienst voor Pensioenen. Gezegde wet is in werking getreden vanaf 01.01.1997.

De wet van 20.12.1995 houdende sociale bepalingen (B.S. van 23.12.1995) bepaalt dat de pensioenen voor werknemers daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan zo het voordeel wordt betaald. In geval van uitbetaling van achterstallen bij overlijden wordt enkel de vervaldatum in aanmerking genomen, d.w.z. het tijdstip waarop de aanvrager voldoet aan alle voorwaarden van toekenning en betaling.

Vermelde wet bepaalt tevens dat het aantal van de vertegenwoordigers der representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties in het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen voortaan zal worden bepaald door de Koning en niet meer bij wet.

Tenslotte bepaalt gezegde wet van 20.12.1995 dat van de renten, gevormd in toepassing van de wetgeving betreffende de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, die ingaan ten vroegste vanaf 01.01.1996 niet meer de uitbetaling der 3/7den in kapitaal kan worden bekomen.