|
|
|

Overzicht van de wettelijke en reglementaire beschikkingen van 1996

Het koninklijk besluit van 08.01.1996 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit n°50 van 24.10.1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 02.03.1996) vermindert het aantal leden van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Pensioenen. Voortaan telt het beheerscomité 7 vertegenwoordigers van de werkgevers en 7 vertegenwoordigers van de werknemers, evenals een voorzitter die geen stemrecht heeft.

Het ministerieel besluit van 17.02.1996 tot uitvoering van artikel 64, § 5, van het koninklijk besluit van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (B.S. van 02.03.1996) is bepaald dat voor het jaar 1996 de maximumbedragen van de lonen voor de toegelaten arbeid van gepensioneerden worden vermenigvuldigd met 1,02.

De wet van 29.04.1996 houdende sociale bepalingen (B.S. van 30.04.1996) stelt een pensioengegevensbank in m.b.t. de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen, alsook m.b.t. alle andere als dusdanig geldende Belgische en buitenlandse voordelen en de voordelen bedoeld als aanvulling van een pensioen.

Deze wet schaft het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers af. De diensten en het personeel worden opgenomen in de Rijksdienst voor sociale zekerheid (inning en invordering sociale bijdragen van de mijnwerkers) en in het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (belast met toepassing van de bepalingen betreffende het invaliditeitspensioen van de mijnwerkers). De Rijksdienst voor Pensioenen neemt de bevoegdheden van het Nationaal Pensioenfonds over inzake de toepassing van de bepalingen betreffende de renten bedoeld in hoofdstuk I van de wet van 28.05.1971.

Het koninklijk besluit van 14.05.1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28.10.1994 tot uitvoering van artikel 68 van de wet van 30.03.1994 houdende sociale bepalingen (B.S. van 26.06.1996) bepaalt dat de buitenlandse pensioenen niet meer in aanmerking komen voor de bepaling van de basis die dient voor de berekening van het bedrag van de solidariteitsbijdrage die van de pensioenen wordt afgehouden.

Het koninklijk besluit van 15.05.1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28.02.1993 betreffende de betaling per overschrijving van sommige uitkeringen betaald door de Rijksdienst voor Pensioenen (B.S. van 09.07.1996) bepaalt dat m.i.v. 01.08.1996 de onderdanen van de gehele Europese Economische Ruimte de mogelijkheid hebben om betaling van hun Belgisch pensioen te bekomen op een persoonlijke rekening geopend bij een financiële instelling die gevestigd is op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte dan België. Deze mogelijkheid bestaat eveneens voor de onderdanen van de landen waarmee België een overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft gesloten.

De wet van 19.06.1996 tot interpretatie van de wet van 20.07.1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn (B.S. van 20.07.1996) geeft verduidelijking bij de wil van de wetgever van de wet van 20.07.1990 en verklaart wat onder het woord rustpensioen moet worden verstaan. Het rustpensioen is aldus omschreven als het vervangingsinkomen dat wordt toegekend aan de gerechtigde die wordt geacht door ouderdom arbeidsongeschikt te zijn geworden. Deze toestand wordt voor de mannelijke gerechtigden geacht te ontstaan op de leeftijd van 65 jaar en voor de vrouwelijke gerechtigden op de leeftijd van 60 jaar.

Uit de interpretatieve wet van 19.06.1996 volgt dus duidelijk dat bij de wet van 20.07.1990 geen gelijke pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen werd ingevoerd.

De wet van 26.07.1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (B.S. van 01.08.1996) bevat volgende krachtlijnen wat betreft de pensioenen: 

  • er wordt prioriteit verleend aan het wettelijk pensioen;
  • de eigenheid van de verschillende pensioenstelsels wordt geëerbiedigd;
  • de pensioenrechten van de rechthebbenden van wie het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet worden gevrijwaard.


De Koning kan alle nuttige maatregelen, aangepast aan elk stelsel, nemen, teneinde: 

  • de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen geleidelijk te verwezenlijken en dit tezamen met de gelijkberechtiging in de andere takken van de sociale zekerheid;
  • de verschillende regelingen inzake de minimumpensioenen te hervormen;
  • aanpassingen door te voeren in de wettelijke pensioenstelsels om hun leefbaarheid en hun legitimiteit in de toekomst te waarborgen;
  • de toegelaten arbeid en de andere cumulatieregels aan te passen;
  • een wettelijk kader te geven aan de Infodienst Pensioenen en een Ombudsdienst op te richten;
  • wijzigingen aan te brengen aan de financieringstechnieken, inzonderheid aan de regelgeving inzake de solidariteitsinhouding.


De Koning kan de toepassingsmodaliteiten wijzigen van de herwaarderingscoëfficiënt die voor de berekening van de werknemerspensioenen in aanmerking moet worden genomen.

Het koninklijk besluit van 16.12.1996 tot wijziging van de wet van 30.03.1994 houdende sociale bepalingen, met toepassing van de artikelen 15, 6° en 49 van de wet van 26.07.1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van de artikelen 2, § 1 en 3, § 1, 4° en § 2 van de wet van 26.07.1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (B.S. van 24.12.1996) vervangt artikel 68 van de wet van 30.03.1994. In de nieuwe bepalingen zijn het vroegere artikel 68 en de bepalingen van het koninklijk besluit van 28.10.1994 tot uitvoering ervan samen verwerkt.

Het koninklijk besluit van 23.12.1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26.07.1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (B.S. van 17.01.1997) bepaalt dat

  • de pensioenleeftijd 65 jaar is;
  • de pensioenleeftijd voor de vrouwen geleidelijk wordt opgevoerd tot vermelde leeftijd, hetgeen gerealiseerd wordt voor de pensioenen die ingaan vanaf 01.01.2009 (18);
  • de berekening der pensioenen geleidelijk wordt gebracht op 45sten;
  • een vervroegd pensioen vanaf de leeftijd van 60 jaar mogelijk blijft, op voorwaarde dat voldaan is aan bepaalde voorwaarden van loopbaan;
  • per loopbaanjaar een minimumrecht wordt ingesteld;
  • gelijktijdig de rechten van de vrouwen in de andere sectoren van de sociale zekerheid worden uitgebreid.


De voorgestelde modernisering verleent prioriteit aan de wettelijke pensioenen. Zij is toegespitst op de verwezenlijking van de wettelijke en feitelijke gelijke behandeling van mannen en vrouwen, met inachtneming van financiële leefbaarheid van de stelsels, en op de aanpassing aan de maatschappelijke evolutie en de evolutie van de arbeidsmarkt.