|
|
|

Overzicht van de wettelijke en reglementaire beschikkingen van de voor- en naoorlogse regeling tot 1968

De vooroorlogse regeling

Vrijwillige verzekering: mede onder invloed van de financiële en sociale onrust van 1848 werd bij de wet van 08.05.1850 de Algemene Lijfrentekas opgericht, waarbij vooruitziende personen door vrijwillige stortingen, onder staatswaarborg, recht krijgen op een klein pensioen voor hun oude dag. In 1865 werd naast de Lijfrentekas, met de bedoeling deze activiteiten te ondersteunen, een Spaarkas opgericht, van dan af de Algemene Spaar- en Lijfrentekas genoemd.

Gesubsidieerde vrijwillige verzekering: in 1891 werd op de begroting een krediet goedgekeurd dat zou verdeeld worden tussen de maatschappijen van onderlinge bijstand die hun leden aansloten bij de Lijfrentekas. Dit betekende het begin van het stelsel der gesubsidieerde vrijheid. Eén en ander was het gevolg van de sociale onlusten die waren uitgebroken in 1886. De opgekropte verbittering, de politieke spanningen sinds 1880 en de economische crisis van de voorgaande jaren verklaren deze uitbarsting. Hoewel de opstand werd onderdrukt, zou hij toch een mijlpaal vormen in de geschiedenis van de sociale wetgeving. De wet van 10.05.1900 stelde deze toelagen verplicht.

De verplichte verzekering die reeds in 1845 voor de zeelieden was tot stand gekomen, wordt tot de mijnwerkers, de hand- en de hoofdarbeiders verruimd, respectievelijk bij de wetten van 05.06.1911, 10.12.1924 en 10.03.1925.

Het koninklijk besluit van 19.09.1845 richtte een Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag op, waarvan de zetel te Antwerpen gevestigd was. Het varend personeel, ingeschreven op de rol der bemanning van een Belgisch schip, diende bij te dragen en kon genieten van de verzekerde voordelen. Deze Kas werd opgericht krachtens de wet van 21.06.1844, voorzag in Staatstoelagen, waarvan het bedrag niet meer mocht bedragen dan 10.000 frank per jaar. In uitvoering van deze bepaling werd de Kas gedurende de eerste tien jaar door de Staat betoelaagd.

De wet van 05.06.1911 op de ouderdomspensioenen ten bate van de mijnwerkers (B.S. van 09.06.1911) verplichtte alle mijnexploitanten zich aan te sluiten bij één van de sinds 1839, hoofdzakelijk met de bedoeling invaliditeitspensioenen uit te keren aan slachtoffers van arbeidsongevallen, opgerichte voorzorgskassen en gaf hen de verantwoordelijkheid om de aansluiting van hun mijnwerkers bij de A.S.L.K. te bewerkstelligen. De stortingen, volledig ten laste van de mijnwerker, moesten na 30 jaar mijnarbeid, mits aanvulling door overheidstoelagen, een pensioen waarborgen.

De wet van 10.12.1924 betreffende de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegen dood der arbeiders (B.S. van 22-23.12.1924), geïnspireerd op de techniek toegepast in de private verzekeringen, voerde een verplichte verzekering in en bepaalde dat stortingen die door de werknemers en de werkgevers worden verricht -en waaraan een rijkstoelage werd toegevoegd- door de A.S.L.K. moeten worden gekapitaliseerd om aan eerstgenoemden op 65 jaar een ouderdomsrente te bezorgen. Uitkeringen aan de weduwe werden eveneens gewaarborgd bij overlijden van de echtgenoot.

De wet van 10.03.1925 betreffende de verzekering tegen ouderdom en vroegtijdig overlijden der bedienden (B.S. van 01.04.1925 - erratum B.S. van 03.09.1925), verplichtte alle bedienden uit de privé-sector zich aan te sluiten bij de pensioenregeling voor bedienden. In tegenstelling tot de algemene regeling werd voorzien in een inkomensgrens waarboven er geen verzekeringsplicht meer zou zijn. De bijdragen van de bedienden en van hun werkgevers werden bovendien vastgesteld als een percentage van de wedde. De werknemers- en de werkgeversbijdragen moesten door de werkgever worden gestort bij een verzekeringsorganisme van hun keuze. Deze moesten een deel overmaken aan de A.S.L.K. om de bedienden te laten genieten van het algemeen stelsel en een tweede gedeelte aan het Toelagefonds voor bedienden.

 

De naoorlogse regeling

De waardevermindering van de munteenheid bracht deze regeling geleidelijk in het gedrang. Reeds gedurende de oorlog werden plannen gemaakt om de sociale verzekeringen na het stopzetten van de vijandelijkheden op een nieuwe leest te schoeien.

In oktober 1944 werd een ontwerpovereenkomst tot sociale solidariteit ondertekend. De maatregelen die de regering daarna zou treffen berusten op deze overeenkomst. Voor wat de sociale zekerheid betreft zou deze overeenkomst haar weerslag vinden in de Besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid voor arbeiders (B.S. van 30.12.1944).

De pensioenregeling die hierin vervat lag werd verder uitgewerkt bij Regentsbesluit van 30.01.1945 genomen in uitvoering van artikel 5 van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid voor arbeiders. - Aanvullende ouderdoms- en rustpensioenen (B.S. van 01.02.1945).

Bij de Besluitwetten van 10.01.1945 (B.S. van 01.02.1945) en 07.02.1945 (B.S. van van 17.02.1945) werd een gelijkaardige regeling uitgewerkt, respectievelijk voor de mijnwerkers en voor de zeelieden ter koopvaardij.

Bij vermelde wetgeving was voorzien dat een deel van de bijdragen verder ter vestiging van de rente bestemd bleef, terwijl een ander deel naar een omslagfonds werd afgevoerd met het doel de rente door een pensioen aan te vullen. Op dat ogenblik zijn de uitkeringen bijgevolg uit drie bestanddelen samengesteld : de rente, opbrengst van de kapitalisatie ; de bijslag, onder bepaalde voorwaarden kosteloos door de staat toegekend ; het aanvullend pensioen, dat voortvloeit uit de omslag van de opbrengst van de bijdragen die door de werknemers en door de werkgevers verschuldigd zijn.

Dit nieuwe mechanisme zou evenmin standhouden. Geleidelijk zouden de risico's niet meer afzonderlijk aangepakt worden, doch gezamenlijk ten laste genomen worden. De band tussen de bijdragen en de inhoud van de uitkeringen werd steeds losser, naarmate de individuele voorzorgsmaatregelen het moesten afleggen voor de solidariteit.

De wet van 29.12.1953 betreffende het arbeiderspensioen (B.S. van 31.12.1953) was een eerste poging om een definitief stelsel in voege te laten treden en gaf de individuele kapitalisatie op ten gunste van een financieringstechniek die op de verdeling is gericht. Bij de berekening van het pensioen zou rekening worden gehouden met de stijging van de levensduurte, met de beroepsloopbaan en met de vroegere bezoldigingen van de pensioengerechtigde. Als normale duur van de loopbaan werd 45 jaar weerhouden voor de mannen en 40 jaar voor de vrouwen. Voor elk loopbaanjaar zouden de geherwaardeerde werkelijke en/of fictieve lonen in rekening worden gebracht voor 1/45ste voor een man en voor 1/40ste voor een vrouw. De pensioengerechtigden die de echtgenote ten laste hadden zouden 60 %, en de andere gerechtigden 40 %, ontvangen van de gemiddelde, geherwaardeerde jaarlijkse bezoldigingen. De pensioengerechtigde leeftijd werd bepaald op 65 jaar voor een man en op 60 jaar voor een vrouw, met mogelijkheid het pensioen maximaal 5 jaar vroeger te laten ingaan.

De wet van 28.06.1954 waarbij het ouderdomspensioen der gehuwden op 28.000 frank wordt gebracht en waarbij de wetgeving, om er de toepassing van te bespoedigen, wordt gewijzigd (B.S. van 30.6.1954) verhoogde de pensioenbedragen en voorzag in een mechanisme van koppeling van het pensioen aan de stijging van de levensduurte. Ter financiering van de uitkeringen bevestigde de wet voorlopig de financieringsregeling -met verhoogde bijdragen en staatstussenkomsten- die als gevolg van de wet van 29.12.1953 vanaf 01.01.1954 in werking was getreden. Voor het overige werd de wet van 29.12.1953 geschorst en bleef de regeling zoals die bestond in voege.

De wet van 21.05.1955 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders (B.S. van 19.06.1955) bevestigde de basisprincipes van de wet van 29.12.1953, toch bevatte enkele belangrijke wijzigingen en vereenvoudigingen wat betreft de berekeningswijze van de uitkeringen. In navolging van de wet van 28.06.1954 bepaalde deze wet voor de gehuwden het rustpensioen op 75 % en voor de alleenstaanden op 60 % van de geherwaardeerde jaarlijkse bezoldiging. Voor de jaren vanaf 1955 werd het werkelijk loon in aanmerking genomen. Voor perioden van erkende inactiviteit (vb. ziekte, werkloosheid, staking,...) werd een fictief loon bepaald. Voor elk jaar van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955 werd een forfaitair loon bepaald. De wet voorzag in een overlevingspensioen gelijk aan 30 % van het hoogste jaarloon.

De wet van 12.06.1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden (B.S. van 21.07.1957) voerde voor de bedienden een analoog stelsel in als voor de arbeiders. Slechts enkele verschillen bleven bestaan, zo op het vlak van de financiering, daar de kapitalisatie nog ten dele in trek blijft bij de hoofdarbeiders.

Wat betreft de regeling der mijnwerkers zijn vooral belangrijk de besluitwet van 25.02.1947 tot samenvoeging en wijziging van de wetten betreffende het pensioenstelsel voor de mijnwerkers en de er mee gelijkgestelden (B.S. van 19.04.1947) die op het gebied van de pensioenen de wetgeving coördineerde en wijzigde en het koninklijk besluit 28.05.1958 tot vaststelling van het statuut van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers inzake inrichting van de rust- en overlevingspensioenen (B.S. van 02-03.06.1958).

Wat betreft de regeling voor zeevarenden vermelden wij het koninklijk besluit van 24.10.1936 houdende wijziging en samenordening van de statuten der Hulp- en Voorzieningskas voor zeevarenden onder Belgische vlag (B.S. van 31.01.1937) en het koninklijk besluit van 04.12.1956 tot wijziging der statuten van de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag (B.S. van 10-11.12.1956) waarbij voor de periode vanaf 01.01.1956 het stelsel van de rust- en overlevingspensioenen wordt ingesteld.

De wet van 03.04.1962 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders en bedienden (B.S. van 06.04.1962) verhoogde de minimale pensioenbedragen en wijzigde de berekeningswijze van het pensioen. Bepaald werd de te bewijzen loopbaan te laten aanvangen in 1926 en meer gewicht toe te kennen aan de werkelijk verdiende lonen vanaf 1955. Het pensioen zou worden berekend op basis van een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het aantal jaren gelegen tussen 01 januari van het jaar van de 20ste verjaardag, ten vroegste 1926 en 31 december van het jaar voorafgaand aan de 65ste of 60ste verjaardag, op voorwaarde dat de aanvrager het bewijs levert van : een homogene en volledige loopbaan of een volledig geachte loopbaan ; een volledig gemengde loopbaan of een homogene of gemengde loopbaan van ten minste 4/5en van een volledige loopbaan. Indien de aanvrager niet voldoet aan vermelde voorwaarden of indien de berekening gunstiger uitviel, werd het pensioen verder toegekend naar rata van 45sten (man) of 40sten (vrouw).

Het overlevingspensioen werd bepaald op 60 % van het gezinspensioen waarop de echtgenoot gerechtigd zou zijn op het ogenblik van zijn overlijden. Een nieuwigheid van deze wet was het invoeren van het principe van het samengaan van het rustpensioen met een zekere (toegelaten) beroepsactiviteit.

De wet van 13.06.1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden (B.S. van 14.6.1966) voert één enkele methode in om de rechten op een pensioen vast te stellen : het rustpensioen dat met ieder jaar van tewerkstelling als arbeider overeenstemt, wordt in alle gevallen verworven naar rata van een breuk waarvan de teller de eenheid is en de noemer het aantal jaren begrepen in de periode ingaande op 01 januari van het jaar van de 20ste verjaardag -ten vroegste 01.01.1926 -en eindigend op 31 december van het jaar dat de 65ste (man) of de 60ste (vrouw) verjaardag, hetzij de vervroegde ingangsdatum van het pensioen voorafgaat.