|
|
|

Overlevingspensioen - Wezen

Wezen kunnen zowel wettige als geadopteerde kinderen zijn. Ze kunnen recht hebben op een overlevingspensioen in het ambtenarenstelsel. De overleden ouder moet dus wel als ambtenaar gewerkt hebben. Dit overlevingspensioen bestaat niet in het werknemersstelsel.

Wie heeft er recht op?

De wees heeft recht op een overlevingspensioen als:

  • beide ouders overleden zijn en minstens één ervan als ambtenaar gewerkt heeft;
    of
  • de langstlevende ouder geen recht heeft op een overlevingspensioen;
    of
  • de langstlevende of de uit de echt gescheiden huwelijkspartner het ouderlijk gezag over de kinderen uit het huwelijk met de overleden ambtenaar, onmogelijk kan uitoefenen. Die kinderen stellen we dan gelijk met wezen.

De wezen van een ambtenaar hebben recht op een overlevingspensioen tot de leeftijd van:

  • 18 jaar;
  • en daarna zolang ze recht hebben op kinderbijslag.

De wees heeft geen recht op een overlevingspensioen als hij de overleden ouder (ambtenaar) naar het leven gestaan heeft en daarvoor veroordeeld geweest is.

 

Hoe wordt het berekend?

Het bedrag van het overlevingspensioen voor wezen wordt afgeleid van het overlevingspensioen. Als er ook rechthebbenden op het overlevingspensioen zijn uit een ander huwelijk (langstlevende of uit de echt gescheiden huwelijkspartner), dan verdelen we het overlevingspensioen onder alle groepen rechthebbenden.

Als er geen andere rechthebbenden zijn, dan hangt het bedrag van het overlevingspensioen voor wezen af van het aantal wezen:

  • 1 wees krijgt 6/10 van het overlevingspensioen;
  • 2 wezen krijgen samen 8/10 van het overlevingspensioen;
  • 3 wezen of meer krijgen samen het volledige overlevingspensioen.

Wezen hebben geen recht op het gewaarborgd minimumpensioenbedrag. Ze krijgen het bedrag van het overlevingspensioen dus zonder enige andere vorm van toeslag.

Voorbeelden

  1. Stijn is ambtenaar en overlijdt op 01/03/2019 op 35-jarige leeftijd. Hij was getrouwd en had drie kinderen. De langstlevende huwelijkspartner heeft recht op een overlevingspensioen, waardoor de wezen geen recht hebben op een overlevingspensioen voor wezen.
  2. Hilde is ambtenaar en overlijdt op 01/03/2019 op 42-jarige leeftijd. Ze woonde wettelijk samen en had twee kinderen. De partner heeft nooit recht op een overlevingspensioen, de wezen hebben samen recht op 8/10 van het overlevingspensioen.

 

Hoe vraag ik het aan?

De Pensioendienst opent automatisch een dossier voor een overlevingspensioen voor wezen als:

  1. de overledene een rustpensioen voor ambtenaren of een overlevingspensioen voor ambtenaren ontving dat de Pensioendienst beheert;
    en
  2. één of meerdere wezen jonger dan 18 jaar de enige rechthebbenden zijn.

Er moet een pensioenaanvraag ingediend worden als:

  • de overleden ambtenaar nog geen rustpensioen van het ambtenarenstelsel kreeg;
    of
  • de wezen 18 jaar of ouder zijn (en nog altijd kinderbijslag krijgen);
    of
  • er nog andere rechthebbenden zijn (langstlevende of uit de echt gescheiden huwelijkspartner).

Wanneer gaat het overlevingspensioen in?

  • Als de aanvraag ingediend wordt binnen 12 maanden na het overlijden, dan gaat het overlevingspensioen in op de 1e dag van de maand die volgt op het overlijden.
  • Als de aanvraag meer dan 12 maanden na het overlijden ingediend wordt, dan gaat het pensioen in op de 1e dag van de maand die volgt op de aanvraag.

Hoe moet ik mijn aanvraag indienen?

 

Uitbetaling

De uitbetaling van het overlevingspensioen voor wezen begint:

  • op de 1e dag van de maand die volgt op het overlijden of met terugwerkende kracht vanaf de 1e dag van de maand die volgt op het overlijden als de aanvraag binnen 12 maanden ingediend werd;
  • op de 1e dag van de maand die volgt op de indiening van de aanvraag als de aanvraag meer dan 12 maanden na het overlijden ingediend werd.

Wees van een gepensioneerde ambtenaar?

Als de vader of de moeder al overleden is vóór de uitbetaling van het pensioen, dan kunnen de wezen aanspraak maken op dat pensioen als er geen langstlevende huwelijkspartner is.

Als de overleden ambtenaar nog recht had op achterstallen, dan kunnen de wezen aanspraak maken op die achterstallen als er geen langstlevende huwelijkspartner is.