Ga naar hoofdinhoud

Pensioenstatistieken 2021

Hieronder geven we u een overzicht van de belangrijkste pensioenstatistieken voor 2021. Onze statistieken zijn momenteel nog opgesplitst in 2 delen:

Pensioenstatistieken werknemers en zelfstandigen

Globaal overzicht van de uitkeringsgerechtigden en de maandelijkse uitgaven

Verdeling en evolutie van de pensioengerechtigden

Op 1 januari 2021 betaalde de Pensioendienst aan 2 226 108 gerechtigden een pensioenuitkering (overgangsuitkering inbegrepen), wat 8,98 % meer is dan op 1 januari 2017. Dit aantal neemt elk jaar toe.

 

Verdeling en evolutie van de pensioengerechtigden volgens het type loopbaan

Verdeling van de pensioengerechtigden volgens het type loopbaan

Van de pensioengerechtigden die door de Pensioendienst betaald werden, ontving 59,63 % een pensioen op basis van een 'zuivere" loopbaan (werknemer of zelfstandige). 36,29 % ontving dus een pensioen op basis van een "gemengde loopbaan”. Dat wil zeggen dat ze actief waren in minstens 2 van de 3 algemene pensioenstelsels.

 

Evolutie van de pensioengerechtigden volgens het type loopbaan

Het totale aantal gepensioneerden met een zuivere werknemersloopbaan steeg tussen 2017 en 2021 met 7,88 % en het aantal gemengde loopbanen steeg met 13,40 %. Het aantal gepensioneerden dat alleen als zelfstandige werkte, daalde in dezelfde periode met 9,08 %. Deze tendens doet zich zowel bij de mannen als bij de vrouwen voor.

Geslacht Stelsel Jaar (op 1 januari)
2017 2018 2019 2020 2021
Vrouwen zuiver werknemers 647 770 661 372 678 890 694 911 701 636
zuiver zelfstandigen 49 783 48 641 47 406 45 701 43 892
gemengd 363 035 377 919 387 410 389 567 405 706
Mannen zuiver werknemers 582 701 593 415 608 278 623 121 625 833
zuiver zelfstandigen 50 111 49 451 48 877 47 901 46 93
gemengd 349 346 367 399 379 897 386 019 402 110
Eindtotaal 2 042 746 2 098 197 2 150 758 2 187 220 2 226 108

 

Verdeling en evolutie van de pensioengerechtigden volgens type pensioen

Verdeling van het aantal pensioengerechtigden volgens type pensioen

Op 1 januari 2021 ontving 61,28 % van de vrouwen en 73,40 % van de mannen een eigen rustpensioen als alleenstaande. Slechts 0,21 % van de vrouwen tegenover 24,59 % van de mannen heeft een pensioen als gezin, dit wil zeggen voor beide partners van het koppel samen (omdat het eigen rustpensioen van de huwelijkspartner te laag of onbestaande is). De anderen ontvangen een overlevingspensioen, eventueel gecumuleerd met een eigen rustpensioen.
Het aantal personen dat een overgangsuitkering ontvangt, blijft gering omdat deze uitkering specifiek en tijdelijk is.

 

Evolutie van de pensioengerechtigden volgens het type pensioen

In deze evolutie is de groei van de deelname van de vrouwen aan de arbeidsmarkt te zien, aan de hand van verschillende parameters:

  • een vermindering van het aantal gezinspensioenen bij de mannen (-11,43 % tussen 2017 en 2021);
  • een verhoging van het aantal 'alleenstaande' pensioenen (+18,59 % bij de mannen en
    +21,03 % bij de vrouwen);
  • een vermindering van het aantal overlevingspensioenen bij de vrouwen (-17,18 %).
Geslacht Stelsel Jaar
2017 2018 2019 2020 2021
Vrouwen Rust- Gezin 1 790 1 925 2 132 2 239 2 445
Rust-Alleenstaande 582 863 617 538 650 023 676 644 705 428
Rust & Overleving 280 621 281 171 282 383 281 922 281 255
Overleving 194 317 186 259 178 096 168 288 160 934
Overgangsuitkering 997 1 039 1 072 1 086 1 172
Mannen Rust- Gezin 298 372 290 947 283 589 274 396 264 281
Rust-Alleenstaande 665 350 700 182 733 682 762 178 789 009
Rust & Overleving 14 783 15 426 16 020 16 701 17 733
Overleving 3 523 3 571 3 600 3 587 3 685
Overgangsuitkering 130 139 161 179 166

 

Verdeling en evolutie van de pensioengerechtigden volgens verblijfplaats

Op 1 januari 2021 was 90,78 % van de pensioengerechtigden die betaald werden door de Federale Pensioendienst, gedomicilieerd in België en slechts 9,22 % verbleef in het buitenland. Deze verdeling blijft nagenoeg stabiel in de tijd.

In Frankrijk en Italië tellen we het grootste aantal gepensioneerden (werknemers- en zelfstandigenstelsel) die buiten België verblijven. Daarna volgen Spanje en Nederland. Als we de analyse beperken tot de gepensioneerden die buiten Europa verblijven, tellen we het grootste aantal gepensioneerden in Turkije en Marokko, gevolgd door Groot-Brittannië, Canada en de Verenigde Staten.

rangschikking continent land aantal
1 EU FRANKRIJK 57 500
2 EU ITALIE 29 176
3 EU SPANJE 24 497
4 EU NEDERLAND 23 660
5 EU DUITSLAND 12 387
6 EU GRIEKENLAND 4 218
7 EU PORTUGAL 4 015
8 EU GH LUXEMBURG 3 860
9 EU POLEN 1 546
10 EU ZWEDEN 1 091

rangschikking continent land aantal
1 buiten EU TURKIJE 6 589
2 buiten EU MAROKKO 5 823
3 buiten EU GROOT-BRITTANNIE 4 878
4 buiten EU CANADA 3 951
5 buiten EU VERENIGDE STATEN 3 386

Verdeling en evolutie van de nieuw gestorte uitkeringen in 2021

In 2021 heeft de Federale Pensioendienst 201 570 nieuwe uitkeringen uitbetaald. Dat zijn er 3 587 meer dan in 2020. Het gaat om nieuwe voordelen die in 2021 ingegaan zijn en die in betaling waren op 1 januari van het volgende jaar.

 

Verdeling van de nieuw gestorte uitkeringen in 2021

De nieuwe uitkeringen betaald in 2021, zijn voornamelijk werknemerspensioenen (77,19 %) in vergelijking met slechts 18,25 % zelfstandigenpensioenen en 4,56 % IGO-uitkeringen.

 

Evolutie van de nieuw gestorte uitkeringen in 2021

Tussen 2017 en 2021 steeg het aantal nieuwe rustpensioenen voor de vrouwen en de mannen met respectievelijk 12,94 % en 9,35 %. De tendens is positief voor de vrouwen voor de overlevingspensioenen (+1,66 %) en negatief voor de IGO-uitkeringen (-2,47 %). Voor dezelfde periode stellen we bij de mannen een toename vast van het aantal overlevingspensioenen (+17,71 %) en een stijging van het aantal IGO-uitkeringen (+6,64 %).

 

Verdeling en evolutie volgens de leeftijd op het moment van pensionering

De volgende tabel geeft de voorwaarden weer voor toegang tot het vervroegd pensioen. Voor de hervormingen in 2011 en 2015 golden er overgangsmaatregelen.

                    'normale' loopbanen 'lange' loopbanen
Minimumleeftijd Minimumloopbaan Minimumleeftijd Minimumloopbaan
in 2013 60 jaar en 6 maanden 38 jaar 60 jaar 40 jaar
in 2014 61 jaar 39 jaar 60 jaar 40 jaar
in 2015 61 jaar en 6 maanden 40 jaar 60 jaar 41 jaar
in 2016 62 jaar 40 jaar

60 jaar

61 jaar
42 jaar
41 jaar
in 2017 62 jaar en 6 maanden 41 jaar

60 jaar

61 jaar

43 jaar
42 jaar
in 2018 63 jaar 41 jaar

60 jaar

61 jaar

43 jaar
42 jaar
in 2019 63 jaar 42 jaar

60 jaar

61 jaar

44 jaar
43 jaar
in 2020 63 jaar 42 jaar

60 jaar

61 jaar

44 jaar
43 jaar
in 2021 63 jaar 42 jaar

60 jaar

61 jaar

44 jaar
43 jaar

 

Op welke gepensioneerden is deze specifieke analyse van toepassing?

De gepensioneerden:

  • die hun rustpensioen opgenomen hebben in de pensioenregeling voor werknemers en/of zelfstandigen;
  • en van wie het rustpensioen betaald werd op 1 januari van het jaar volgend op de ingangsdatum.

 

Op welke gepensioneerden is deze specifieke analyse niet van toepassing?

De gepensioneerden die:

  • een pensioen ontvangen in een speciaal stelsel;
  • een buitenlands pensioen ontvangen;
  • een pensioen ten laste van de openbare sector ontvangen;
  • een pensioen van uit de echtgescheiden huwelijkspartner ontvangen.

Evolutie volgens de leeftijd op het moment van pensionering (zuivere loopbaan werknemers)

60 61 62 63 64 65 66 en +
2017 15,12 % 5,91 % 7,90 % 3,54 % 1,93 % 60,96 % 4,65 %
2018 17,89 % 9,42 % 5,71 % 3,74 % 2,06 % 56,71 % 4,47 %
2019 13,06 % 9,60 % 8,86 % 7,39 % 4,26 % 52,50 % 4,33 %
2020 14,36 % 12,52 % 6,48 % 6,32 % 2,62 % 52,56 % 5,13 %
2021 12,10 % 13,91 % 6,87 % 7,27 % 2,48 % 52,58 % 4,79 %

 

Evolutie volgens de leeftijd op het moment van pensionering (zuivere loopbaan zelfstandigen)

60 61 62 63 64 65 66 en +
2017 0,74 % 4,44 % 6,25 % 3,69 % 5,45 % 64,62 % 14,80 %
2018 1,23 % 7,96 % 5,08 % 4,07 % 5,82 % 62,33 % 13,51 %
2019 0,04 % 4,20 % 4,38 % 5,73 % 5,62 % 65,66 % 14,38 %
2020 0,16 % 4,35 % 5,47 % 5,04 % 4,81 % 64,47 % 15,71 %
2021 0,25 % 5,75 % 5,47 % 5,37 % 4,16 % 65,84 % 13,16 %

 

Evolutie volgens de leeftijd op het moment van pensionering (gemengde loopbaan werknemers
+ zelfstandigen)

60 61 62 63 64 65 66 en +
2017 10,78 % 7,17 % 11,97 % 6,41 % 4,02 % 56,82 % 2,83 %
2018 12,89 % 11,54 % 8,55 % 6,51 % 4,42 % 53,42 % 2,66 %
2019 8,59 % 8,30 % 9,42 % 9,10 % 4,94 % 56,91 % 2,75 %
2020 8,14 % 11,69 % 7,56 % 9,08 % 4,30 % 56,13 % 3,11 %
2021 6,97 % 11,68 % 6,77 % 8,86 % 4,03 % 58,90 % 2,78 %

 

Pensioenstatistieken ambtenaren

De hier vermelde pensioenstatistieken hebben betrekking op alle rust- en overlevingspensioenen die de Federale Pensioendienst beheert en betaalt.

Totaalaantal en stijging van het aantal pensioenen

Totaalaantal rust- en overlevingspensioenen

De grafieken tonen de evolutie van het aantal pensioenen voor de periode 2017-2021.

In de periode 2017-2021 steeg het aantal rustpensioenen van 429 477 naar 455 582. Het aantal overlevingspensioenen daalde van 92 393 naar 91 214.

Op 1 januari 2021 beheerden we 546 696 ambtenarenpensioenen: 455 482 rustpensioenen en 91 214 overlevingspensioenen.

 

Evolutie van het aantal rust- en overlevingspensioenen

De volgende grafieken tonen de evolutie van het aantal rust- en overlevingspensioenen voor ambtenaren. Het gaat om de nieuwe pensioenen die geregistreerd zijn in de periode 2017-2021 en waarvoor de FPD een betaling uitgevoerd heeft.

Het aantal nieuwe rustpensioenen (RP) ging van 19 127 in 2017 naar 22 136 in 2021. Het aantal nieuwe overlevingspensioenen (OP) ging van 5 966 in 2017 naar 6 256 in 2021.
In 2021 steeg het aantal nieuwe rustpensioenen met 9,51 % ten opzichte van 2020.

In 2021 kenden we 28 392 nieuwe pensioenen toe: 22 136 rustpensioenen en
6 256 overlevingspensioenen.


De evolutie in de tijd van het aantal ambtenarenpensioenen is het gevolg van:

  • een aanwervingsbeleid van verschillende autoriteiten op een gegeven moment;
  • de hervorming van de ambtenarenpensioenen;
  • demografische factoren (leeftijdspiramide, levensverwachting, sterftecijfer).

De uitzonderlijke pieken kunnen ook te wijten zijn aan het feit dat pensioenen voor het eerst door ons beheerd worden (overname van pensioenen door de FPD). Sinds 2016 zijn de gevolgen van de nieuwe pensioenhervormingen voor ambtenaren voelbaar. Deze hervormingen droegen bij tot een daling van het aantal nieuwe pensioenaanvragen in vergelijking met de voorgaande jaren. In 2019 stelden we een sterke daling van het aantal nieuwe pensioenen vast.

 

Totale pensioenuitgaven

Evolutie van de jaarlijkse pensioenuitgaven

De volgende grafieken geven een beeld van de evolutie van de jaarlijkse uitgaven voor rust- en overlevingspensioenen voor ambtenaren. Omwille van de coherentie met de voorbije jaren bevatten deze cijfers geen cijfers van HR Rail.

Deze grafieken tonen, voor de periode 2017-2021, een normale toename van de uitgaven voor de pensioenen in de openbare sector in functie van de evolutie van het aantal pensioenen, van de indexering en van de tweejaarlijkse perequatie:

  • rustpensioenen: van 12 727 614 637 euro naar 14 294 953 188 euro;
  • overlevingspensioenen: van 1 428 922 007 euro naar 1 432 651 701 euro.

Voor 2021 bedragen de uitgaven voor de pensioenen in de openbare sector die de Federale Pensioendienst beheert en betaalt dus 15 727 604 889 euro.

De stijging van de jaarlijkse pensioenuitgaven komt vooral door de groei van het totale aantal pensioenen en van het daaraan verbonden inkomen. Andere belangrijke factoren zijn:

  • de indexering (aanpassing aan de stijging van de consumptieprijzen);
  • de tweejaarlijkse perequatie (aanpassing aan de stijging van de bezoldiging buiten de index).

In 2021 zijn de pensioenuitgaven gestegen met 2,18 % ten opzichte van 2020.

Het effect van de hervorming zal waarschijnlijk op langere termijn bepalend zijn. Ter herinnering: de hervorming bevat 4 maatregelen die de jaarlijkse pensioenuitgaven moeten doen dalen of op zijn minst het aantal vervroegde pensioenen moeten inperken:

  • verhoging van de minimumleeftijd en de minimale duur van de loopbaan om van een vervroegd rustpensioen te kunnen genieten;
  • vanaf 1 januari 2012 kan in de pensioenberekening geen voordeligere loopbaanbreuk meer toegekend worden dan 1/48, én er moet rekening gehouden worden met een progressieve vermindering van de duur van de diplomabonificatie voor de bepaling van de pensioendatum;
  • hertekening van de gelijkstellingen voor loopbaanonderbrekingen, de vierdagenweek en halftijds werken voor de perioden vanaf 1 januari 2012.
  • vervanging van de refertewedde van de laatste 5 dienstjaren in de pensioenberekening door een gemiddelde wedde van de laatste 10 dienstjaren.

     

Verdeling en gemiddeld pensioenbedrag volgens inkomensschijf

De volgende tabellen geven, per inkomensschijf en volgens geslacht, een overzicht van het gemiddeld maandelijks brutopensioenbedrag voor de rust- en overlevingspensioenen en van het aantal uitbetaalde pensioenen.

 

Aantal rustpensioenen en gemiddeld maandelijks brutobedrag (situatie op 1 januari 2021)

Rustpensioenen, met inbegrip van HR Rail - Situatie op 1 januari 2021
MANNEN VROUWEN TOTAAL
INKOMENSSCHIJF Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag
<=500 13 390 253,26 8 676 317,49 22 066 278,51
500 – 1 000 12 499 747,19 17 770 758,76 30 269 753,99
1 000 – 1 500 19 839 1 302,42 22 666 1 271,74 42 505 1 286,06
1 500 – 2 000 33 610 1 777,37 26 004 1 758,30 59 614 1 769,05
2 000 – 2 500 52 585 2 225,13 28 257 2 249,45 80 842 2 233,63
2 500 – 3 000 49 127 2 759,85 34 706 2 760,13 83 833 2 759,97
3 000 – 3 500 42 378 3 220,99 46 822 3 245,68 89 200 3 233,95
3 500 – 4 000 19 435 3 735,78 12 466 3 729,95 31 901 3 733,50
4 000 – 4 500 15 732 4 221,60 8 147 4 207,85 23 879 4 216,91
4 500 – 5 000 7 846 4 726,56 2 118 4 694,84 9 964 4 719,82
>5 000 15 078 5 901,92 2 381 5 854,63 17 459 5 895,47

 

Aantal overlevingspensioenen en gemiddeld maandelijks brutobedrag (situatie op 1 januari 2021)

Overlevingspensioenen, met inbegrip van HR Rail - Situatie op 1 januari 2020
MANNEN VROUWEN TOTAAL
INKOMENSSCHIJF Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag Aantal pensioenen Gemiddeld bedrag
<=500 3 566 237,20 15 430 275,48 18 996 268,29
500 – 1 000 2 423 721,89 20 697 756,61 23 120 752,97
1 000 – 1 500 1 441 1 209,96 23 806 1 257,17 25 247 1 254,47
1 500 – 2 000 496 1 714,09 17 117 1 721,34 17 613 1 721,13
2 000 – 2 500 266 2 192,90 8 320 2 211,93 8 586 2 211,34
2 500 – 3 000 79 2 699,87 4 242 2 735,11 4 321 2 734,46
3 000 – 3 500 20 3 251,22 2 051 3 228,06 2 071 3 228,28
3 500 – 4 000 12 3 713,31 1 255 3 721,51 1 267 3 721,44
4 000 – 4 500 3 4 055,61 562 4 213,41 565 4 212,57
4 500 – 5 000 3 4 844,40 584 4 758,38 587 4 758,82
>5 000 0 0,00 0 0,00 0 0,00

 

Procentuele verdeling van de nieuwe rustpensioenen volgens de reden van pensionering voor de periode 2017-2021

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de procentuele verdeling van de rustpensioenen voor ambtenaren volgens de reden van pensionering en per ingangsjaar (zonder HR Rail) voor de periode 2016-2020.

Reden van de pensionering*
Ingangsjaar Leeftijdsgrens Vervroegd op aanvraag Uitgesteld Lichamelijke ongeschiktheid Ambtshalve Andere
2017 18,33 % 57,54 % 7,13 % 14,60 % 0,41 % 1,98 %
2018 16,42 % 60,62 % 8,60 % 13,73 % 0,21 % 0,42 %
2019 18,35 % 54,82 % 12,32 % 13,93 % 0,10 % 0,47 %
2020 17,14 % 55,52 % 16,48 % 8,46 % 0,06 % 2,34 %
2021 16,51 % 52,54 % 17,04 % 13,45 % 0,06 % 0,40 %

Reden van de pensionering:

  • Pensioen wegens leeftijdsgrens: de ambtenaar heeft de leeftijd bereikt waarboven die statutair niet meer in dienst kan blijven.
  • Vervroegd pensioen: onder bepaalde voorwaarden kon de ambtenaar zijn pensioen vóór de wettelijke leeftijd opnemen. Deze voorwaarden zijn veranderd door de hervorming van 28.12.2011. Vóór de hervorming kon de ambtenaar die in 2012 de leeftijd van 60 jaar had bereikt en die minstens 5 jaar dienst had, waarvan minstens 1 dag aanneembare dienst na 31.12.1976, vervroegd met pensioen gaan. Raadpleeg de nieuwe voorwaarden na de hervorming in de onderstaande tabel ‘Schematisch overzicht van de huidige voorwaarden voor het vervroegd pensioen volgens de nieuwe hervorming’ of op onze pagina Vervroegd pensioen.
  • Uitgesteld pensioen: de ambtenaar die zijn loopbaan bij de overheid stopgezet heeft om een andere activiteit uit te oefenen en die op de pensioengerechtigde leeftijd zijn overheidspensioen aanvraagt.
  • Pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid: de ambtenaar die door de medische dienst tijdelijk of definitief als ongeschikt beschouwd wordt.
  • Ambtshalve: de ambtenaar die vanaf de leeftijd van 60 jaar (of 63 jaar na de hervorming) meer dan 365 dagen afwezig is wegens ziekte.

 

Volgens de nieuwe pensioenhervorming:

Voor het recht op een vervroegd pensioen – tantième 1/60:

  • wordt de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen op 60 jaar vanaf 2013 jaarlijks verhoogd met 6 maanden en bedraagt de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen vanaf 2018 dus 63 jaar.
  • De minimale loopbaanduur wordt ook verlengd: terwijl deze in 2012 nog 5 jaar bedroeg in het ambtenarenstelsel, werd de minimale loopbaanduur aanzienlijk verlengd. Zo bedroeg deze 40 jaar in 2015 en 41 jaar in 2017, en bedraagt deze 42 jaar sinds 2019 (loopbaan in de openbare sector of gemengde loopbaan).

 
Schematisch overzicht van de huidige voorwaarden voor het vervroegd pensioen volgens de nieuwe hervorming:

Algemene regel Uitzondering lange loopbaan
Jaar Minimumleeftijd Minimumloopbaanduur Loopbaan op 60 jaar Loopbaan op 61 jaar
2012 60 jaar 5 jaar
2013 60 jaar en 6 maanden 38 jaar 40 jaar
2014 61 jaar 39 jaar 40 jaar
2015 61 jaar en 6 maanden 40 jaar 41 jaar
2016 62 jaar 40 jaar 42 jaar 41 jaar
2017 62 jaar en 6 maanden 41 jaar 43 jaar 42 jaar
2018 63 jaar 41 jaar 43 jaar 42 jaar
vanaf 2019 63 jaar 42 jaar 44 jaar 43 jaar

 

Procentuele verdeling van de nieuwe rustpensioenen volgens de leeftijd bij de oppensioenstelling (inclusief arbeidsongeschiktheid) voor de periode 2017-2021

De volgende tabel geeft een overzicht van de procentuele verdeling van de nieuwe rustpensioenen (inclusief arbeidsongeschiktheid) volgens de leeftijd bij de oppensioenstelling en per ingangsjaar voor de periode 2017-2021.

INGANGSJAAR RUSTPENSIOEN Leeftijd oppensioenstelling
< 60 60 61 62 63 64 65 >65
2017 25,28 % 32,12 % 9,85 % 9,76 % 3,97 % 3,03 % 13,00 % 2,99 %
2018 21,67 % 27,87 % 18,85 % 8,21 % 4,44 % 2,83 % 14,44 % 1,69 %
2019 21,19 % 20,30 % 16,39 % 12,60 % 6,69 % 3,54 % 16,78 % 2,51 %
2020 14,73 % 17,97 % 22,51 % 13,47 % 7,84 % 3,67 % 17,71 % 2,11 %
2021 16,49 % 13,31 % 20,01 % 16,26 % 10,27 % 3,46 % 18,44 % 1,76 %

 

Procentuele verdeling van de nieuwe rustpensioenen volgens de leeftijd bij de oppensioenstelling (exclusief arbeidsongeschiktheid) voor de periode 2017-2021

De volgende tabel geeft een overzicht van de procentuele verdeling van de nieuwe rustpensioenen (exclusief arbeidsongeschiktheid) volgens de leeftijd bij de oppensioenstelling en per ingangsjaar voor de periode 2017-2021.

INGANGSJAAR RUSTPENSIOEN Leeftijd oppensioenstelling
< 60 60 61 62 63 64 65 >65
2017

13,15 %

37,25 % 11,11 % 11,46 % 4,56 % 3,51 % 15,44 % 3,52 %
2018 10,40 % 31,58 % 21,52 % 9,33 % 5,05 % 3,18 % 16,95 % 1,97 %
2019 11,09 % 22,17 % 18,36 % 14,27 % 7,69 % 3,88 % 19,61 % 2,93 %
2020 8,53 % 18,79 % 24,13 % 14,56 % 8,50 % 3,69 % 19,48 % 2,32 %
2021 7,75 % 13,73 % 21,82 % 18,12 % 11,61 % 3,65 % 21,31 % 2,00 %

We stellen vast dat, voor de periode 2017-2021, de pensioenleeftijd jaarlijks opgetrokken wordt als gevolg van de nieuwe pensioenhervorming, behalve voor de pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid.

De oppensioenstelling vóór de leeftijd van 60 jaar is mogelijk:

  • wegens definitieve lichamelijke ongeschiktheid (beslissing van MEDEXOpent in een nieuw venster);
  • overeenkomstig de preferentiële voorwaarden van de pensioengerechtigde leeftijd in bepaalde sectoren.